view

Doorgaans worden in geval van vervoer van een lading brandstof voorafgaande aan het laden de scheepstanks geïnspecteerd door een ladinginspecteur. Uit een recent vonnis van de Rechtbank Rotterdam volgt, dat de inhoud van het certificaat dat is afgegeven door de ladinginspecteur van invloed kan zijn op de aansprakelijkheidsvraag en schadeomvang.

De zaak betrof het vervoer van een lading vliegtuigbrandstof per binnenvaart tankschip. Ons kantoor stond in deze zaak de scheepseigenaar en haar P&I Club bij.

Door de ladinginspecteur werden voorafgaand aan het laden de scheepstanks geïnspecteerd. In het certificaat wat vervolgens werd afgegeven werd door de ladinginspecteur het volgende voorbehoud gemaakt: “Due to the nature of the product the tank(s) will be finally accepted after analysis of the first foot samples." Na het zetten van de eerstevoet werden vervolgens de eerstevoetmonsters genomen en geanalyseerd. Uit de analyse van de eerstevoetmonsters volgde dat er geen sprake was van contaminatie. Daarom werden de laadwerkzaamheden voortgezet. Bij aankomst in de loshaven werden eerst monsters van de lading uit de scheepstanks genomen. Uit de analyse van deze monsters bleek dat de lading in een deel van de scheepstanks off spec was. Vervolgens werd door de schade-experts van de betrokken partijen onderzoek gedaan naar de oorzaak van de contaminatie. Uit dit onderzoek bleek dat de eerstevoetmonsters niet waren gebaseerd op een composietmonster (samengesteld monster) van alle afgenomen eerstevoetmonsters, maar in plaats daarvan slechts op een eerstevoetmonster uit één van de scheepstanks.

De afzender hield de vervoerder (tijdbevrachter) en scheepseigenaar aansprakelijk voor de schade die werd geleden als gevolg van de contaminatie. De Rechtbank oordeelde dat de vervoerder aansprakelijk was op grond van art. 16 CMNI Verdrag. Echter, in de procedure werd door de vervoerder en scheepseigenaar gesteld, dat de ladinginspecteur de eerstevoetmonsters onjuist had geanalyseerd, door niet een composietmonster van de eerstevoetmonsters te maken en analyseren. Volgens de vervoerder en scheepseigenaar leverde dit handelen van de ladinginspecteur eigen schuld op van de afzender, aangezien de ladinginspecteur de hulppersoon was van de afzender.

De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat in deze zaak vaststond dat de afzender de schade had kunnen beperken door i) van de eerstevoet een monster te nemen en ii) die eerstevoetmonsters direct te analyseren op voor de afzender relevante factoren, en iii) de belading te stoppen indien uit de analyse van die eerstevoetmonsters zou blijken dat die monsters niet on spec waren. Het niet nemen van deze maatregelen kon volgens de Rechtbank aan de afzender worden toegerekend. Het beroep van de vervoerder en scheepseigenaar op eigen schuld slaagde daarom. Door de Rechtbank werd zelfs geoordeeld dat de schadevergoedingsverplichtingen beperkt waren tot de waarde van de eerstevoet die in de scheepstanks was gezet. Dit had tot gevolg dat slechts ongeveer 10% van de vordering werd toegewezen door de Rechtbank.

Het vonnis van de Rechtbank Rotterdam bevestigt dat het inspecteren van de ladingstanks en analyseren van de eerstevoetmonsters niet vrijblijvend is voor de afzender en diens ladinginspecteur. Nee in plaats daarvan kan dit zelfs tot eigen schuld van de afzender leiden, indien dit inspecteren en analyseren niet deugdelijk wordt uitgevoerd.

Mocht u vragen hebben na het lezen van deze nieuwsbrief, aarzel dan niet om hierover contact met ons op te nemen.