containers

Vervoerders en expediteurs hebben er veel belang bij op de hoogte te zijn wanneer zij zich kunnen beroepen op een retentierecht. Zij zullen immers in geval van niet betaalde vracht of kosten betaling willen afdwingen door de lading niet vrij te geven in de loshaven. Aan de andere kant willen de beoogde ontvangers deze situatie zo snel mogelijk beëindigen. Zij hebben er geen baat bij om vertraging op te lopen en bovendien kan het onder omstandigheden zo zijn dat zij met de onbetaalde facturen niets te maken hebben.
Om een retentierecht uit te oefenen moet een logistieke dienstverlener of zijn hulppersoon de lading feitelijk in zijn macht hebben. Verder moet een retentierecht worden gebaseerd op de wet, de overeenkomst of de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden. Op grond van de Nederlandse wet kan retentierecht uitgeoefend worden op de lading voor al hetgeen de ladingbelanghebbende verschuldigd is in verband met die lading.

Voor oudere vorderingen geldt geen wettelijk retentierecht. Omdat het wettelijke retentierecht van de vervoerder van regelend recht is, kunnen partijen hiervan contractueel afwijken. Zo kunnen zij ook een ‘verlengd retentierecht’ (Engels: general lien) overeenkomen. Is dit overeengekomen, dan kan de vervoerder betaling van oudere vrachtfacturen afdwingen voordat de goederen moeten worden afgegeven. De vervoerovereenkomst zelf en de daarop eventueel van toepassing verklaarde condities verschaffen opheldering of dit ‘verlengd retentierecht’ is overeengekomen.

Vorderingsrecht tot afgifte van de goederen

Als een vervoerder het retentierecht uitoefent, is het in bepaalde gevallen mogelijk succesvol afgifte van de goederen te vorderen. Het is dan voor de eisende partij wel belangrijk eerst vast te stellen of zij wel een zelfstandig recht heeft afgifte van de lading te verlangen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als zij eigenaar van de goederen is. Men moet er dan wel bedachtzaam op zijn dat voor het verkrijgen van eigendom in Nederland aan strenge goederenrechtelijke vereisten moet zijn voldaan. Dat alleen betaling van de koopprijs niet voldoende is, bleek ook in de recente zaak van Nesling tegen Senator c.s. (Rechtbank Rotterdam, 30 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4962).

Als daarentegen onder cognossement is vervoerd, doet de eigendomsvraag niet ter zake. In een dergelijk geval geldt dat alleen de (recht- en regelmatig) houder van het cognossement die dit presenteert bevoegd is tot inontvangstname.

Retentierecht op de lading

Zoals gezegd is het uitgangspunt in het Nederlandse vervoerrecht dat een vervoerder het recht van retentie uitoefent op zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of zal worden ter zake van het vervoer van die zaken. Dit houdt met andere woorden in dat er voldoende samenhang moet zijn tussen de vordering en de zaak waarop het retentierecht wordt uitgeoefend.

Het retentierecht vervalt zodra aan de vervoerder het bedrag is betaald of voldoende zekerheid is gesteld, zodat een partij uit hoofde van de vervoersovereenkomst afgifte kan vorderen.

Een ladingbelanghebbende kan beslag tot afgifte leggen op de goederen waarop retentierecht wordt uitgeoefend. Het is dan aan de rechter om met het oog op alle relevante omstandigheden de belangen van partijen af te wegen. Zo kan het bijvoorbeeld doorslaggevend zijn dat het gaat om seizoenartikelen of bederfelijke goederen. In dat geval zou de rechter kunnen oordelen dat het bezwaarlijk is dat de uitoefening van het retentierecht voortduurt. Afgifte kan worden bevolen, maar als het retentierecht rechtmatig wordt uitgeoefend, zal vervangende zekerheid (zoals een bankgarantie) moeten worden aangeboden en gesteld.

Het vervoerrechtelijke regime heeft slechts betrekking op partijen die rechten onder de vervoersovereenkomst geldend kunnen maken. Het is echter denkbaar dat een partij niet uit hoofde van de vervoersovereenkomst, maar als de (beoogde) eigenaar of andere derde afgifte van de goederen wil vorderen. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als het niet gaat om cognossementsvervoer, maar als wordt gewerkt met een seaway bill. In dat geval geldt niet de vervoerrechtelijke regeling, maar het gemene burgerlijke recht. Ook in dat geval kan de vervoerder zich op een ‘verlengd retentierecht’ beroepen.

Als in dat geval een derde-eigenaar afgifte van de goederen vordert kan het van belang zijn of die derde een ouder of jonger recht op de goederen heeft. Indien de derde een jonger recht op de zaken heeft, kan de vervoerder zonder problemen zijn retentierecht inroepen. Heeft de derde echter een ouder recht, dan kan het zijn dat de vervoerder de goederen moet afgeven. Ook hier zijn echter uitzonderingen denkbaar.

Dat het retentierecht niet gemakkelijk omzeild kan worden, is verklaarbaar nu dit vaak het enige pressiemiddel van de vervoerder is om betaling af te dwingen. Dit is volgens de wetgever een voldoende belang om goederen niet aan een derde af te hoeven geven. Het kan voor de derde-eigenaar dus soms raadzaam zijn om simpelweg de vordering te voldoen waarvoor het retentierecht wordt uitgeoefend.

Het retentierecht is een sterk dwangmiddel van de logistieke dienstverlener, maar in enkele gevallen kan de ladingbelanghebbende toch succesvol afgifte van de goederen vorderen. Het is voor beide partijen dus van belang zich goed over de juridische nuances in te laten lichten om onnodige kosten en vertragingen te vermijden.
 
Richard Latten / Bas Neureiter di Torrero