cases

De OW Bunker-groep was tot november 2014 een van de grootste leveranciers in bunkers (scheepsbrandstof, stookolie en dieselolie) ter wereld. De hoofdvestiging van OW Bunker was gevestigd in Denemarken en ook in Nederland zat een dochter-vestiging (‘OW-Bunker Nederland’). In november 2014 zijn de diverse OW Bunker entiteiten failliet verklaard. Na het faillissement van OW Bunker werd op diverse schepen waaraan in opdracht van OW Bunker bunkerbrandstof was geleverd beslag gelegd. In een groot aantal gevallen werd met betrekking tot dezelfde bunkerlevering zelfs door twee partijen beslag gelegd op hetzelfde schip. De achtergrond achter die beslagen was veelal als volgt.

Een rederij (scheepseigenaar) bestelde bunkers bij OW Bunker. Die bunkers dienden te worden geleverd aan het zeeschip. OW Bunker bestelde die bunkers vervolgens weer bij een andere bunkerleverancier die de bunkers daadwerkelijk aan het betreffende schip leverde. Bij levering werd door de kapitein ('Master’) of eerste officier (‘Chief officer’) een afleverbon (een ‘bunker delivery note’) afgetekend. Na het faillissement van OW Bunker bleef de door OW Bunker ingeschakelde bunkerleveranciers onbetaald. Die onbetaald gelaten bunkerleveranciers zochten manieren om, buiten het faillissement van OW Bunker om, toch betaald te krijgen en legden in diverse landen beslagen op de schepen waaraan de bunkers waren geleverd. In een aantal gevallen was ook het failliete OW Bunker (nog) niet betaald. OW Bunker had haar vorderingen echter verpand aan haar bank/financier. Die bank legde voor die vorderingen ook beslag op beleverde schepen. Zo kon het dus gebeuren dat voor dezelfde bunkerleverantie door zowel de fysieke bunkerleveranciers, als door de bank van OW Bunker beslag werd gelegd op hetzelfde schip.

Vanuit een juridisch perspectief vallen met name de beslagen die door de fysieke bunkerleveranciers werden gelegd op. Die leveranciers probeerden namelijk met die beslagen hun vorderingen te verhalen op eigendom dat van iemand anders was dan van hun debiteur. Hun debiteur was namelijk OW Bunker en niet de scheepseigenaar. Het ‘uitgangspunt’ is dat een vordering te verhalen is op het vermogen van de schuldenaar, maar niet op het vermogen van een ander. Binnen Europa werd met name in de haven van Antwerpen (België) door bunkerleveranciers beslag gelegd. Naar Belgisch recht, ten tijde van het faillissement van OW Bunker, was dit mogelijk. Het Belgische Hof van Cassatie had in het verleden namelijk meermaals geoordeeld (o.a. in het ‘Omala’ arrest van 10 mei 1976 en in het arrest Atlantic Horizon Corp. / Maritima & Servicios C.A. van 23 mei 2003) dat in België beslag op een schip kan worden gelegd voor een ‘zeeschuld’ (een zeerechtelijke vordering) ‘onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor de zeeschuld’. In juni 2016 heeft het Belgische Hof van Cassatie (arrest van 30 juni 2016, ‘Annette Essberger’) dit aangescherpt. In dat arrest is – kort samengevat – bepaald dat een vordering niet verhaalbaar is op een schip als de debiteur een ander is dan de eigenaar of bevrachter van dat schip.
In een zaak waarin de rechtbank Rotterdam in augustus 2018 vonnis heeft gewezen (ECLI:NL:RBROT:2018:6254) was ook sprake van een beslag in Antwerpen door de een fysieke leverancier (‘Transcor’) op het door deze, in opdracht van OW Bunker Nederland beleverde schip ‘Tequila’. Dit beslag was vervolgens opgeheven nadat door de eigenaar van de Tequila, althans diens P&I Club een garantie was gesteld. Om onder die garantie te kunnen trekken had Transcor een vonnis nodig waarin OW Bunker Nederland jegens Transcor tot betaling werd veroordeeld. Met het doel om dat vonnis te verkrijgen was Transcor een procedure begonnen bij de rechtbank Rotterdam tegen het failliete OW Bunker Nederland. In die procedure is door de eigenaar van de Tequila geïntervenieerd en verweer gevoerd, dit om te voorkomen dat Transcor zich op de garantie zou kunnen verhalen.

In het vonnis geeft de rechtbank Rotterdam een overzicht van de uitwerking van het Nederlandse faillissementsrecht op de vorderingen van Transcor. De primaire vordering van Transcor, dat OW Bunker Nederland tot betaling wordt veroordeeld, loopt namelijk ‘stuk’ op het Nederlandse faillissementsrecht. Dat bepaalt namelijk in art. 26 Fw dat een vordering die betaling tot doel heeft uitsluitend ter verificatie kan worden ingediend bij de curator. Buiten de verificatieprocedure om kan over dit type vorderingen niet worden geprocedeerd. Naast de veroordeling tot betaling heeft Transcor ook een vordering ingesteld tot vaststelling van een rechtsverhouding, een zogenoemde ‘verklaring van recht’. Die vordering van Transcor strekt in wezen tot verkrijging van de verklaring dat OW Bunker Nederland het factuurbedrag (vermeerderd met kosten) verschuldigd is. Een dergelijke ‘verklaring van recht’ levert geen veroordelend (condemnatoir) vonnis op, maar een vonnis met verklaring (een declaratoir vonnis). Die verklaring wordt door de rechtbank, onder bepaling dat deze geen rechtskracht heeft ten aanzien van de faillissementsboedel afgegeven. Verder bepaalt de rechtbank, onder toepassing van het inmiddels gewijzigde Belgische beslagrecht, dat de die verklaring voor recht niet ten uitvoer te leggen is onder de garantie.
Al met al, lukt het Transcor derhalve niet, door in België beslag te leggen, om het faillissement van OW Bunker Nederland heen te manoeuvreren.

Hans Flameling