containers

In het internationale vervoer van goederen over de weg komt het vaak voor dat er een lange ‘keten’ is van vervoerders die een vervoeropdracht aannemen en deze vervolgens weer door een andere vervoerder laten uitvoeren. Vaak worden dergelijke vervoerders ‘papieren vervoerders’ genoemd. Wanneer vervolgens tijdens het vervoer de goederen (bijvoorbeeld sigaretten of elektronica) worden gestolen of beschadigd raken, gebeurt er vaak het volgende. Als ‘Pavlov reactie’ beginnen alle partijen die als vervoerder zijn ingeschakeld voor de Nederlandse rechter verklaring-voor-recht-procedures, waarin zij vorderen dat de rechter vaststelt dat zij een beroep kunnen doen op de CMR-limiet van 8,33 SDR/kg (in het Duits, de zogenoemde ‘negative Feststellungsklage’). De afzender/ladingbelanghebbende zal proberen om bij de Duitse rechter een schadevordering tegen de door hem ingeschakelde vervoerder aanhangig te maken. Het risico bestaat dan dat tussen dezelfde partijen in twee landen procedures aanhangig zijn over hetzelfde onderwerp. De litispendentie regeling in EU-Verordening 1215/2012 bepaalt dan dat de procedure die het eerst aanhangig was voorgaat. Dit ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen.

De achtergrond achter deze ‘wedstrijd’, wie het eerst een procedure begint, is de volgende. Art. 17 lid 1 CMR bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade of verlies van goederen tijdens het vervoer. De overmachtsgronden zijn vrij beperkt. Aansprakelijkheid van de vervoerder wordt derhalve snel aangenomen. Art. 23 lid 3 CMR bepaalt echter dat de aansprakelijkheid van de vervoerder gelimiteerd is tot 8,33 SDR/kg, de CMR-limiet. Doorbreking van de CMR-limiet is geregeld in art. 29 lid 1 CMR. Dit artikel bepaalt dat de vervoerder zich niet op de CMR-limiet kan beroepen, en dus onbeperkt aansprakelijk is, wanneer sprake is van opzet of schuld die volgens het recht van het land waar de vordering aanhangig is (de ‘lex fori’) met opzet gelijkgesteld wordt. Het land waarin de vordering aanhangig is, bepaalt derhalve het recht dat van toepassing is op de doorbreking van aansprakelijkheid. In een procedure voor de Nederlandse rechter is Nederlands recht op die vraag van toepassing, en in bijvoorbeeld Duitsland is Duits recht van toepassing. Naar Nederlands recht is het begrip ‘bewuste roekeloosheid’ van art. 8:1108 lid 1 BW de aan opzet gelijk te stellen schuld in de zin van art. 29 lid 1 CMR. De Nederlandse Hoge Raad heeft in de zgn. ‘5 januari arresten ’ een zeer strenge maatstaf aangelegd voor dat begrip. Er wordt maar zéér zelden aan voldaan, doorbreking van de CMR-limiet komt naar Nederlands recht bijna niet voor. De Duitse maatstaf is aanzienlijk minder streng. Naar Duits recht zal derhalve veel eerder sprake zijn van doorbreking in de zin van art. 29 lid 1 CMR. Wie het eerst bij de voor hem gunstige rechter is, bepaalt daarmee of de vervoerder een beperkt of onbeperkt aansprakelijk is.

In bepaalde gevallen is denkbaar dat Hoofdstuk VI CMR dat gaat over ‘opvolgend vervoer’ de mogelijkheid biedt om de hierboven beschreven praktijk te omzeilen. Deze mogelijkheid volgt uit art. 39 lid 1 CMR. Dat artikel bepaalt dat een vervoerder die op grond van ‘opvolgend vervoerderschap’ wordt aangesproken, niet gerechtigd is om de gegrondheid van de betaling door de vervoerder die hem aanspreekt te betwisten, wanneer die vervoerder heeft betaald ter voldoening van een vonnis, waarbij de ‘opvolgend vervoerder’ de gelegenheid heeft gehad om in die procedure te voegen of tussen te komen. Dit kan tot gevolg hebben dat een vervoerder die op grond van ‘opvolgend vervoerderschap’ wordt aangesproken zich niet op de CMR-limiet kan beroepen.

Lang is onduidelijk geweest wanneer sprake is van ‘opvolgend vervoer’. Wanneer men het hoofdstuk over opvolgend vervoer in het CMR-Verdrag leest, zou men kunnen denken dat het uitsluitend gaat over ‘estafettevervoer’, waarbij de lading en vrachtbrief van de ene vervoerder aan de andere vervoerder worden overgedragen. In het vrij recente arrest Veldhuizen/Beurskens2 heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over wat ‘opvolgend vervoer’ is. In dat arrest was sprake van de volgende keten van vervoerovereenkomsten. De afzender (A) had een opdracht tot vervoer van Nederland naar Duitsland gegeven aan vervoerder (B), die had weer  vervoerder (C) ingeschakeld, en die weer vervoerder (D). Vervoerder (D)  nam de goederen en de vrachtbrief in ontvangst en voerde het vervoer feitelijk uit. Tussen vervoerder (B) en (C) wordt in Duitsland geprocedeerd, met als uitkomst dat (C) geen beroep de CMR-limiet kon doen, maar onbeperkt aansprakelijk is. Vervoerder (C) sprak vervoerder (D) aan voor de Nederlandse rechter. De Hoge Raad oordeelt dat (D) de goederen en de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, en daarom opvolgend vervoerder is. In veel gevallen zal, net als in zaak Veldhuizen/Beurskens, de feitelijk vervoerder ook een ‘opvolgend vervoerder’ zijn. Vervoerders die uitsluitend ‘papieren vervoerders’ zijn, zijn geen ‘opvolgend vervoerder’ . Die ‘papieren vervoerder’ heeft immers het vervoer niet feitelijk uitgevoerd en derhalve niet de goederen en vrachtbrief onder zich gekregen.

In het arrest Veldhuizen/Beurskens heeft de Hoge Raad ook geoordeeld over een tweede discussiepunt. Het betreft de vraag of de ‘opvolgend vervoerder’ op wie met inachtneming van art. 39 lid 1 CMR, verhaal wordt genomen, zich alsnog op de CMR-limiet kan beroepen. De uitkomst van de (Duitse) procedure van (B)  tegen (C) is namelijk dat (C) onbeperkt aansprakelijk was. De Hoge Raad oordeelt dat, doordat (D) in de procedure tussen (B) en (C)  heeft kunnen ‘meepraten’, (D) zich niet meer tegenover (C) op de CMR-limiet kan beroepen.

‘Opvolgend vervoer’ maakt het dus mogelijk dat, ondanks dat een procedure wordt gevoerd voor de Nederlandse rechter, de Duitsrechtelijke toets voor ‘bewuste roekeloosheid’ door kan werken in een Nederlands procedure. Het gevolg is dat, in een geval waarin de opvolgend (en feitelijk) vervoerder als eerste een procedure begint voor de Nederlandse rechter, hij geen beroep kan doen op de CMR limiet, maar onbeperkt aansprakelijk is. Voor ladingbelanghebbenden, maar ook voor regres nemende ‘papieren vervoerders’ biedt de ‘opvolgende vervoer’-regeling derhalve mogelijkheden om hun schade te verhalen op de feitelijk vervoerder. Voor feitelijk vervoerders is de ‘opvolgende vervoer’-regeling iets om rekening mee te houden bij het beginnen van een ‘verklaring-voor-recht-procedure’.

1 HR 5 januari 2001, S&S 2001/61 en 2001/62 (Cigna/Overbeek en Van der Graaf/Philip Morris I)
2 Hoge Raad 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2528, NJ 2016/219 (Veldhuizen/Beurskens)
3 Rechtbank Limburg, 21 juni 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:5899