containers

Het is voor bedrijven tegenwoordig niet zeldzaam meer om bij een grensoverschrijdend geschil te worden betrokken. Zeker in de logistieke sector is het eerder regel dan uitzondering dat de partijen in een rechtszaak in verschillende landen gevestigd zijn.

Als je in Nederland wordt gedagvaard door een in het buitenland gevestigde partij, is het natuurlijk belangrijk om verweer te voeren. Het kan echter voorkomen dat na een succesvol verweer de verliezende eiser weliswaar wordt veroordeeld tot het betalen van de proceskosten, maar dat het veel moeite kost om deze kosten in het buitenland ook daadwerkelijk te verhalen.

Voor de hier geschetste situatie is artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in het leven geroepen. Dit artikel regelt de zekerheidstelling voor proceskosten, ook wel de ‘cautio iudicatum solvi’ of simpelweg ‘cautie’ genaamd. Het doel van deze bepaling is voorkomen dat het verhalen van proceskosten wordt bemoeilijkt, doordat de daartoe veroordeelde eiser het centrum van zijn sociale en economische activiteiten niet in Nederland heeft. De gedaagde kan tijdens de procedure vorderen dat de eiser zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin de eiser bij afwijzing van zijn vordering veroordeeld zou kunnen worden.

Van belang is dat cautie alleen door de gedaagde partij kan worden gevorderd. Als eiser kun je deze proceskostenzekerheid dus niet vorderen.

Art. 224 lid 2 Rv noemt een aantal omstandigheden wanneer geen verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid bestaat. Deze uitzonderingssituaties zijn veelomvattend, waardoor in de praktijk niet vaak succesvol cautie kan worden gevorderd.

Een van de belangrijkste uitzonderingen is geregeld in art. 224 lid 2 sub a Rv. Er hoeft geen zekerheid gesteld te worden indien dit volgt uit een verdrag of een EU-verordening en de eiser woonplaats heeft in een daarbij aangesloten land. Dan kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het Rechtsvorderingsverdrag 1954 of het Rechtsvorderingsverdrag 1980. Deze uitzonderingsregel zal het vorderen van cautie vaak onmogelijk maken, nu het aantal bij deze verdragen aangesloten staten erg groot is. De achterliggende gedachte bij deze uitzondering is dat indien deze verdragen van toepassing zijn, de mogelijkheid tot het verhalen van proceskosten al voldoende is gewaarborgd.

De tweede uitzondering (art. 224 lid 2 sub b Rv) regelt de situatie dat de aanstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar is in het woonland van de eiser. Deze regel breidt het aantal uitzonderingslanden nog verder uit. Men denkt dan bijvoorbeeld aan landen als Aruba, Curaçao of Sint Maarten, waar op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Nederlandse vonnissen ten uitvoer kunnen worden gelegd.

De laatste twee uitzonderingen betreffen de gevallen waar de eiser aantoont dat er een verhaalsmogelijkheid in Nederland is en waar de effectieve toegang tot de rechter door de cautievordering zou worden belemmerd. Beide uitzonderingen spelen een iets kleinere rol in de praktijk.

Als de gedaagde cautie vordert, kan de eiser zich dus verweren door een beroep op een van deze uitzonderingen te doen. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat de eiser zal moeten bewijzen dat zijn woonplaats zich bevindt in een van de landen die tot de bovenstaande uitzonderingen behoren.

Het is niet voldoende dat de eiser ingeschreven staat in het bevolkingsregister van een uitzonderingsland. Hij moet kunnen aantonen dat hij daar daadwerkelijk woonplaats heeft en er dus feitelijk woont. Dit betekent dat de in het buitenland gevestigde eiser bewijs moet leveren. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een huurovereenkomst zijn.

In veel gevallen zal het natuurlijk duidelijk zijn waar de eisende partij gevestigd is. Dit zal zeker het geval zijn als deze partij een bedrijf is, waarvan de vestigingsplaats vaak wel bekend is. In dat geval is het aan de partij die cautie wil vorderen om zich ervan te verzekeren dat er geen sprake is van een uitzonderingsland. Anders heeft de cautievordering bij voorbaat geen zin.

Als de eiser eenmaal is veroordeeld tot het stellen van zekerheid, dan zal dit tijdig en genoegzaam moeten gebeuren. Als de eisende partij niet tijdig zekerheid stelt, zal de gedaagde in de hoofdzaak concluderen tot niet-ontvankelijkheid en kan de zaak snel tot een einde komen. De genoegzaamheid van de gestelde zekerheid kan vooral tot discussie leiden als het incidenteel vonnis de vorm van zekerheid niet voorschrijft. Daarom is het van belang om in de cautievordering ook de vorm mee te nemen, waarbij met name een bankgarantie voor de hand ligt.

Al met al kan het vorderen van cautie voor de gedaagde een belangrijk middel zijn om te voorkomen dat een geschil weliswaar wordt gewonnen, maar dat de proceskosten niet kunnen worden verhaald. Omdat het aantal uitzonderingssituaties omvangrijk is, is het echter ook een middel dat snel over het hoofd kan worden gezien.

Bas Neureiter di Torrero