containers

Op 19 juli 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam een interessante uitspraak gedaan. Het betrof een verzekeringszaak over een motorjacht waarvoor een uitgebreide cascopolis was afgesloten. Op 28 maart 2013 vloog het jacht in brand, terwijl het onderweg was van Italië naar Montenegro. Aan boord waren aanwezig de schipper, in dienst van verzekerde, samen met zijn reisgenoot.

Zij gingen van boord en hebben met een bijboot veilig de kust van Kroatië kunnen bereiken. Er waren foto’s gemaakt van het brandende jacht en verklaringen afgelegd over wat er was gebeurd. Daarnaast is de toedracht van de brand nader onderzocht en zijn er technische experts ingeschakeld door verzekeraars. Een technisch onderzoek aan het jacht zelf was niet meer mogelijk nu het wrak was gezonken en op de bodem van de Adriatische zee ligt.

Verzekerde heeft een claim ingediend bij zijn verzekeraar, maar kreeg nul op het rekest omdat de verzekeraar meende dat ze was misleid over de toedracht van de brand. Er zouden onjuiste verklaringen zijn afgelegd, als gevolg waarvan het recht op uitkering zou zijn vervallen (art. 7:941 lid 5 BW).

De bank die krediet heeft verstrekt aan verzekerde ten behoeve van het jacht en een pandrecht had op de eventuele verzekeringspenningen, vordert alsnog betaling van de verzekeraar. De bank heeft een eigen onderzoek laten verrichten na afwijzing van de claim.

In de procedure voerde de bank aan dat de onjuiste verklaringen waren afgelegd door opvarenden en niet door de verzekerde zelf (een rechtspersoon), en daarom niet konden gelden als verklaringen van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde (zoals bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW). De rechter volgde deze redenering niet omdat een rechtspersoon sowieso niet zelf een verklaring af kan leggen. Dat kunnen slechts natuurlijke personen namens haar. De bestuurder zelf was tijdens het incident niet aanwezig en kon hier dan ook geen vragen over beantwoorden. De bestuurder heeft verwezen naar een ander persoon als degene die uit naam van de rechtspersoon mededeling zou doen aan de verzekeraar, in dit geval de schipper. Die mededelingen van de schipper hebben dan te gelden als mededelingen van de verzekeringnemer.

Voorts overwoog de rechter dat in dit geval de verzekeraar voor de informatie over het ontstaan van de brand en verdere toedracht volledig afhankelijk was van de informatie die zij van de verzekeringnemer krijgt over het voorval. Het jacht ligt immers op de bodem van de zee waardoor technisch onderzoek niet meer mogelijk is. Het gevolg hiervan was dat er hogere eisen mochten worden gesteld aan de volledigheid en consistentie van de, namens verzekerde, afgelegde verklaringen.

Dat de schipper zich vergist zou hebben over de toedracht is gelet op de in het oog springende onjuistheden en de hoeveelheid ervan niet denkbaar, aldus de Rechtbank. Gelet op de omvang en de aard van de onjuistheden moeten de verklaring zijn gegeven met het opzet de verzekeraar te misleiden over de toedracht van de brand. Het beroep van de verzekeraar op artikel 7:941 lid 5 BW slaagt, het recht op uitkering is daarmee vervallen. De bank heeft niet gesteld dat deze sanctie, gelet op de omstandigheden van dit geval, niet zou zijn gerechtvaardigd. De vordering van de bank is dan ook afgewezen door de Rechtbank. De bank kan tot 19 oktober 2017 in appèl komen tegen deze uitspraak. Nog niet bekend is of dat ook zal gebeuren of inmiddels werd gedaan.

Danielle Cloots